Petrarca


  •  

     

    DIE OGEN

     

     

    Die ogen gloedvol door mij beschreven,
    die armen, handen, voeten en gezicht,
    waardoor ik vaak innerlijk werd ontwricht
    en met geen mensen kon samenleven;

    Krulharen met filigraan geweven,
    die zoete glimlach op mij gericht,
    in een verloren paradijs gezwicht,
    waar elk goed gevoel werd prijsgegeven.

    Zo leef ik, vol woede en levenswee,
    zonder haar uitstraling die ik aanbad,
    nu mijn schip leksloeg op de levenszee.

    Ga weg, liefdeslied, uit mijn gedachten,
    nu de gave verdween die ik bezat;
    Van nu af aan bral ik jammerklachten.